24 dec. 2009

Angst (Michiel van Erp, 2009)

In zijn nieuwe documentaire, Angst, volgt theater- en filmmaker Michiel van Erp zes Amsterdammers die aan angststoornissen lijden. Irreële angsten, uit de hand gelopen dwangneuroses en fobieën; deze mensen worden dagelijks getormenteerd door angst. Bang voor hoogtes, onreinheid, imperfectie en andere mensen. Van Erp nam in zijn eerdere films vaak de rol aan van de ironische beschouwer die vermakelijk vanaf de zijlijn observeerde; op sympathieke wijze dreef hij de spot met aspecten van de Hollandsche habitus - en met succes: de vergelijking met Bert Haanstra is niet helemaal onverdiend. In Angst laat van Erp - met gepast respect - de spot varen. Deze documentaire is serieus; doodernstig. Angst toont op geconcentreerde wijze hoe de mentale gevangenis van een angstlijder er uit kan zien. Als taboebreker in deze nuchtere, relativistische cultuur werkt Angst als een openbaring, maar als documentaire laat het te wensen over.

Sylvia, een jonge vrouw, is bang in het donker. Wat de duisternis aan gevaren met zich mee kan brengen? Er zouden ieder moment mensen binnen kunnen dringen. Daarom durft ze niet te gaan slapen en heeft ze de meest ingewikkelde patronen ontwikkeld om dit zo lang mogelijk uit te stellen; ze heeft een chronisch gebrek aan slaap, iets wat duidelijk aan haar wezenloze, starende gezicht is af te lezen. John (56) was lange tijd apotheker en heeft sinds een angstaanval vooral last van hoogtevrees. Zijn balkon en de trap naar zijn voordeur zijn al jaren plekken die hij mijdt. Hij zit het liefst binnen.



Dieuwke is een meisje van 23, spontaan en openhartig, maar ook zij zit dagenlang binnen, wachtend en vrezend. Waarom? Ze heeft een bizarre relatie met haar douche. Overtuigd van het feit dat een serie handelingen en dwangneuroses tijdens soms wel uren durende douchebeurten haar schoon en perfect houden, heeft ze haar hele leven op het douchen afgestemd. Haar denkwereld is opgedeeld in de angst voorafgaand aan een stortbad en haar snel aftakelende zelfbeeld na zo’n zuiverende klus.

Angst toont ons ook beelden van de stad. Het is Amsterdam van bovenaf bezien, in fraai geschoten composities is ze bijna niet te herkennen als de hoofdstad. Schrijver Arthur Japin (die naast Van Erps vaste scenarist René van ’t Erve meeschreef aan de voice-over) vertelt een poëtisch verhaal, over de stad en haar inwoners: “Al die vreemden spelen met mij in hetzelfde stuk. Ons regisseur is de stad. Ergens daarboven kijkt zij toe hoe wij onze levens improviseren.” Improvisatie is een eigenschap die de zes geportretteerde Amsterdammers ontberen: ze zitten totaal vast, zijn gijzelaars van hun eigen hoofd.

Nienke (45 jaar) lijdt onder de verschrikkelijke en alles overheersende gedachte dat iedereen het beter doet dan zij. Hoe goed ze ook haar best doet, hoezeer ze er ook voor zorgt dat alles perfect en tiptop in orde is, ze kan alleen maar falen. Denkt ze. Ze wil ervan af, van deze angst. Zo ook Anna-Louise (62 jaar), die een hevig trauma uit haar verleden in Venezuela ver heeft weggestopt. Bij terugkomst in Nederland kwam het naar boven en uitte dit zich in een angst voor mensenmassa’s, openbare ruimtes en naar buiten gaan.

Als laatst wordt de homoseksuele Gerard ten tonele gevoerd: hij is onlangs in elkaar gebeukt door een paar Marokkaanse jongens en is nu als de dood voor moslims. Gerard is eigenlijk de vreemde eend in deze bijt. Niet alleen wordt hij rijkelijk laat geïntroduceerd, ook is de aanleiding voor zijn angst zo concreet als een baksteen. Gerard is vooral verontwaardigd en, in tegenstelling tot de anderen, spreekt hij zijn angst niet uit als iets wat hem praktisch belemmert, maar rakelt hij telkens de gebeurtenis op. Het staat loodrecht op de openhartige en ontroerende bekentenissen van Dieuwke en Nienke: bij hen kan je zien hoe zwaar de dwangmatige en absurde strijd van een intelligent persoon tegen zichzelf kan zijn. Het gevoel bekeken te worden, beoordeeld te worden door de ander, dat andere mensen het beter doen. Het zijn herkenbare emoties, ondanks dat deze sentimenten op monsterlijke wijze volledig uit hun proporties zijn gerukt.




Het is de grootste verdienste van Angst: Van Erp laat zijn hoofdpersonen aan het woord zonder ze een psychiatrisch label op te plakken. Hij maakt het herkenbaar, gaat uit van het menselijke; dit zijn mensen met eigenaardige problemen. En de therapeuten: dat zijn mensen die deze geproblematiseerde mensen helpen - wel in beeld, maar altijd als gesprekspartner van hun patiënten. Ook als lansbreker voor het onderwerp slaagt Angst met vlag en wimpel, waarschijnlijk tot groot genoegen van een van de financiers, het Fonds Psychische Gezondheid. Maar als documentaire weet Angst niet helemaal te overtuigen. Aan de ene kant lijken de portretten objectief en zonder consequenties of duidelijke oorzaak, maar aan de andere kant wordt dit alles wel op zogenaamd poëtische wijze (door middel van Amsterdamse stadsgezichten vergezeld van de kalme vertelstem van Japin) in het krappe kader van de stad geduwd. Deze aanpak voelt geforceerd, als een intellectuele constructie; een poging een literaire saus over het onderwerp te gieten.

En dan is er Gerard: hoe sympathiek deze man ook is, zijn verhaal lijkt er niet thuis te horen; zijn verhaal haalt de aanwezige ongrijpbaarheid van het onderwerp uit de film. Een onderwerp waar Van Erp zo serieus en associatief mee aan de haal gaat, dat je als kijker soms stiekem bang bent dat hij voortaan nog alleen maar maatschappelijk relevante onderwerpen zal aansnijden en het vermaak zal vergeten. Dat is het grootste mankement van Angst: het mist de vermakelijke en onderzoekende toon die van Erp eerder met Pretpark Nederland (2006) en File (2008) zo venijnig wist aan te slaan. Het maakt van Angst eerder een pamflet voor de ernst van deze zaak dan een film die een onwetend publiek zal beroeren; letterlijk een film in opdracht van het Fonds Psychische Gezondheid - dat lijkt me toch wel het laatste wat je als maker wilt bewerkstelligen.


(Dit artikel verscheen oorspronkelijk op filmorama.nl)


(Je hebt de nieuwste Silverlight van Microsoft nodig om de film te bekijken - geen overbodige toevoeging voor je computer.)

---

Get Microsoft Silverlight

1 dec. 2009

Eldorado (Bouli Lanners, 2008)

Waals regisseur Bouli Lanners is, zoals een bescheiden Belg betaamt, onopvallend aan de weg aan het timmeren. Lanners (ware voornaam: Philippe) vult - samen met het al even onopgemerkte regisseursduo Gustave de Kervern en Benoît Delépine - de gaten in het slecht onderhouden wegdek dat de Belgische cinema heet. Of specifieker: deze heren hebben weer leven geblazen in een nationale auteurscinema, gebaseerd op een lange traditie (met schilder René Magritte als grootste uitbater) die de magisch realistische en absurdistische inborst van zijn inwoners op briljante wijze vertegenwoordigt. Lanners’ debuutfilm, Ultranova (2005), was prachtig gekadreerd en subtiel verteld, maar helde over naar het tragische in het woord tragikomedie. Zijn tweede film, Eldorado, toont een maker op weg naar het beloofde land: de perfecte tragikomedie. Een genre dat bij onze buren een extra dimensie krijgt als het goed gedaan wordt.

Er zit een scène in Aaltra (2004), de eerste speelfilm van de Kervern en Delépine, waarin de zichzelf regisserende hoofdrolspelers weggevaagd worden door een performance die zo lachwekkend, zo absurdistisch en verwarrend is, dat je deze een aantal keer terug moet spoelen om werkelijk te kunnen bevatten. Bouli Lanners speelt een Finse zanger die in een café zijn versie van het liedje Sonny op de toehoorders loslaat, onder begeleiding van keyboard. Pathos, nonsens, tragiek en misplaatstheid worden op koele, onovertroffen wijze samengebald in een krappe drie minuten. De vergelijking met een onzer absurdistische helden, Michiel Romeyn (van Jiskefet), is snel gemaakt; niet alleen vanwege de bezielde overgave aan de schaamteloze vertolking, ook op basis van hun uiterlijk. Net als Romeyn is Lanners begonnen als beeldend kunstenaar en zijn ze beiden min of meer toevalligerwijs voor de camera beland. Lanners kluste bij als decorbouwer en groeide na een piepkleine rol uit tot een komisch bijrolacteur van bescheiden formaat (o.a. in Astérix aux jeux olympiques en Un long dimanche de fiançailles) .




Lanners liet zichzelf in Ultranova nog buiten beeld, maar in Eldorado is hij op aandringen van de producent ook voor de camera gaan staan. Hij speelt Yvan, een forse en opvliegerige veertiger die oldtimers verkoopt. Yvan vindt bij thuiskomst een gebroken raam in zijn voordeur en loopt, bewapend met een uitlaatpijp naar zijn slaapkamer. Onder zijn bed ligt Elie (Fabrice Adde, een ongeschoold acteur uit de ontroerende documentaire Paul dans sa vie), een dief, blijkbaar, en daarbij iemand die niet van plan is vanonder zijn nieuwe schuilplek vandaan te komen. Dus wachten ze en discussiëren ze over eventuele oplossingen. Als die eindelijk gevonden is kan Yvan het niet over zijn hart verkrijgen deze net afgekickte junk een rit naar zijn ouderlijk huis te ontnemen. Dit is het onwaarschijnlijke (maar op waarheid beruste - Lanners trof zelf twee dieven in zijn woonboot en ging een hele avond met ze in gesprek) begin van een roadmovie door een zonovergoten, verlaten Wallonië.

De film ontleent zijn titel aan een Cadillac Eldorado, het beoogde vehikel voor deze op Amerikaanse leest geschoeide genrefilm, maar uiteindelijk nam Lanners ook genoegen met een Chevrolet Caprice uit 1977. In deze Amerikaanse voiture groeit al snel een sympathieke verstandhouding tussen Yvan en Elie. Nu is de formule van een onwaarschijnlijk koppel onderweg natuurlijk een beproefd en uitgekauwd onderwerp in de (Amerikaanse) cinema, maar Eldorado weet er frisjes zijn eigen draai aan te geven. Dit is welhaast volledig te danken aan de knetterende en - vaak - spraakloze chemie tussen de agressieve Lanners en de dromerige, onhandige Adde, die zich als een soort Laurel en Hardy laten overrompelen door de vele grillige, surrealistische situaties die ze tegenkomen. Wat Eldorado onderscheidt van veel andere films is de natuurlijke manier waarop de losstaande scènes zich zo prettig tot een groter, magisch realistisch plaatje van een troosteloos en komisch land weten te vormen. Een film waarbij het geheel meer is dan de som der delen.




Hoe onwaarschijnlijk de scènes op het eerste gezicht ook lijken; van een drukkende ontmoeting met een man die autowrakken verzamelt omdat hij bij aanraking met zo’n auto kan ‘zien’ hoe iemand verongelukt (gespeeld door Phillipe Nahon, de slager uit Seul contre tous); een auto-ongeluk veroorzaakt door het niet functioneren van de ‘je-haar-tegen-het-plafond-van-de-auto-plakken-opdat-je-niet-in-slaap-valt-achter-het-stuur’-techniek tot een bruuske aanvaring met een hond, ze werken en ze beklijven. Soms is de balans ver te zoeken, maar het kan niet storen in deze organische trip van een film. Als ze dan eindelijk bij de ouders van Elie aankomen is de hartverwarming groot, hoe tragisch en bitter de omstandigheden ook mogen zijn en hoe abrupt het verhaal zijn einde aankondigt. Er zijn geen grote lessen of morele vertellingen, het gebeurt simpelweg. Met de vanzelfsprekendheid van een goed kunstwerk.

Het zijn troosteloze vergezichten die worden geschetst in Eldorado, maar niet uitzichtloos. Sterker: er schuilt hoop in de weidse, Belgische landschappen bevolkt door communicatief gestoorde excentriekelingen. Dit is de humane en zachtmoedige blik van Lanners, die zelfs van een nudist met de naam Alain Delon een geloofwaardig karakter weet te maken in een tweetal minuten. Deze geloofwaardigheid maakt hem tot een regisseur om in de gaten te houden. Iemand die subtiel en spannend op de grens tussen tragisch en komisch weet te wandelen; die de kwaliteiten van een Michiel Romeyn en een Alex van Warmerdam tot een origineel geheel weet te smeden. Helaas zal Romeyn alleen nog Oboema 'doen' en is van Warmerdam er al jaren niet echt meer in geslaagd iets goeds af te leveren. We zullen het voorlopig moeten doen met de buren, met de - nu al - schitterende loopbaan van Bouli Lanners.


(Dit artikel verscheen oorspronkelijk op filmorama.nl)