19 nov. 2009

Guys and Dolls (Nick Holt, 2007)

Het onderwerp van deze docu - over eenzame, enigszins zielige mannen die hun levenspartner in een RealDoll lijken te herkennen - beloofd veel sensationeels. Maar dat toont het allerminst: deze mannen met hun realistische neukpoppen - want laten we eerlijk wezen, net zoals Mike, een van de geïnterviewde mannen, dat zijn ze - lijken iets diepers te hebben ontwikkeld met hun 'partners'. Een relatie; een volwaardig besef dat bij gebrek aan beter ze zich gelukkig (en veilig) wanen in het gezelschap van een perfect gevormde, levenloze vrouw. "They're very static," merkt de eerste man, Davecat, al vrij snel op. Als deze beschrijving je doet glimlachen: terecht. Maar deze hilariteit is eigenlijk nergens te bekennen in Guys and Dolls, van Brit Nick Holt. Tragisch, fascinerend en vooral ondoorgrondelijk zijn deze mannen die (getuige de alom tegenwoordige vliegtuigjes bij ieder) nooit echt mannen zijn geworden. Deze bange, dromerige jongetjes willen dat alles hetzelfde blijft, deze jongetjes willen vliegen. Schattig en tegelijkertijd verontrustend is de man die bijna zelfspottend vermeld dat hij drie vuurwapens heeft en twee dolls. Deze zelfspot en het inherente zelfbewustzijn van deze outsiders maakt deze docu zo 'postmodern-tragisch'. "What Becomes of the Broken Hearted" gaat het Motown-nummer. Dit is het antwoord van deze tijd: in hun volle verstand besluiten ze echt menselijk contact in te ruilen voor een pop die altijd wil, nooit weggaat en - met reparaties - voor eeuwig hetzelfde blijft. "A very high form of masturbation."

van Humo:

Niet alle mensen hebben het even gemakkelijk om een levenspartner te vinden, en dat drijft sommigen tot vreemde alternatieven. Dat is het uitgangspunt van Guys and Dolls, deze pakkende en doodeerlijke documentaire over mannen die de hoop op menselijke liefde hebben opgegeven en genegenheid zoeken bij een real doll, een op maat gemaakte, bijna levensechte pop.


De 47 minuten durende documentaire leverde regisseur Nick Holt in 2007 een nominatie op in de categorie Best Break-Through Talent van de jaarlijkse BAFTA-awards, de Britse tegenhanger van de Oscars.


--

Guys and Dolls (Nick Holt, 2007)


17 nov. 2009

O'Horten (Bent Hamer, 2007)

Na Factotum (2005), gebaseerd op de gelijknamige roman van Charles Bukowski, komt de Noorse regisseur Bent Hamer met zijn vijfde film: O’Horten. Hamers films staan bekend om hun ijzige, absurde humor en lichtzinnige, humanistische toon. Portretten van loners, einzelgängers - in dit geval een 67-jarige treinmachinist, die zijn leven volgens de routine leeft. O’Horten (Bård Owe, een rasacteur die nog met Carl Theodor Dreyer heeft gewerkt) is zijn naam, Odd voor intimi. Odd is trouwens net als Bent een typisch Noorse naam. Vaste patronen en routineuze handelingen; zijn leven is net als de treinrails die hij uit zijn hoofd kent en de prachtige groeven op zijn karakteristieke kop een vaststaand patroon.




Maar dit staat allemaal op het punt te veranderen op het moment dat Odd afscheid neemt van zijn vaste baan: hij gaat met pensioen. Na het in ontvangst nemen van de Zilveren Locomotief - onder begeleiding van het treinlied, ongeïnspireerd vertolkt door zijn collegae - belandt Odd in een understatement van een odyssee. In breed uitgemeten scènes en met een gelaat dat nimmer vertrekt, aanschouwt de passieve Odd hoe zijn vertrouwde leventje langzaam ontspoort als hij zijn baan vaarwel moet zeggen. O’Horten is een droogkomische vertelling; een afgemeten portret van een man die zich realiseert dat het nooit te laat is om te veranderen. Dat klinkt afgezaagd en dat is het ook. O’Horten is, net als zijn vertolker, zeer charmant, maar tergend langzaam, moraliserend en te vaak te flauw.

In een stijl die zich het best laat omschrijven als een kruising tussen de visuele stijl van de Zweedse Roy Andersson (Songs From The Second Floor), het offbeat tempo van Fins regisseur Aki Kaurismäki en de droge humor van Fransman Jacques Tati, trekken korte losstaande scènes aan ons voorbij. Dit klinkt hoogst aanstekelijk en veelbelovend, maar op een of andere manier willen deze elementen maar niet prettig mengen en blijven de scènes steken in een onderkoelde (of afgekoelde) flauwigheid en vrijblijvendheid. Er zijn zeker uitzonderingen en die zijn charmant: Odd belandt na zijn uitreiking in het verkeerde huis en spendeert de nacht in de kamer van een klein jongentje dat graag in slaap valt met een vriendelijke vreemdeling naast zijn bed. (Een warme, vertederende scène die het doorlopende thema van misplaatstheid prachtig verbeeldt, ondanks de wat twijfelachtige beschrijving.) Hij bezoekt zijn demente, zwijgzame moeder; hij gaat op zoek naar een vliegveldmedewerker en wordt door de douane als verdachte aangezien, met de nodige gevolgen. Het zijn fantastische, kleine vignettes, maar ze zijn schaars; dwalende hooibalen in de woestijn die deze aangename, maar nietszeggende vertelling blijkt.




De existentiële potentie van een man die verdwaald zodra hij met pensioen moet is groot, maar wordt alleen zeer oppervlakkig aangesneden, impliciet. Te impliciet. De film kabbelt lijzig en behaagziek door, totdat Odd ’s nachts naakt gaat zwemmen in een verlaten zwembad en hij wordt gestoord door twee blote meisjes. Hij ontvlucht stilletjes, trekt een paar hoge hakken aan en loopt tegen een slapende man op straat aan, Trygve Sissener (Espen Skjønberg). Deze man zet dan eindelijk het langverwachte plot in gang: ze gaan naar zijn huis en onder het genot van sterke drank vertelt hij Odd wijze levenslessen; over kansen grijpen, ouder worden, herinneringen en loslaten. Loslaten. Iets waar Trygve, een voormalig diplomaat, veel ervaring mee heeft: hij kan namelijk blind autorijden, hele steden door, en weet Odd over te halen dit de volgende ochtend samen met hem te doen - met alle gevolgen van dien. Deze scène is de reuring waar O’Horten al ruim een halve film op wacht.

Het gevolg: Odd is bevrijd en gaat opeens actief stappen ondernemen. Deze illustratie van het doel van Odds avonturen zorgt voor een plotse verschuiving in nadruk; het kalme, losse karakter van de film wordt opeens transparant en doelmatig. Zo doelmatig en nadrukkelijk dat Hamer er geen doekjes meer om windt en rechtstreeks afstevent op de moraal van het verhaal. U kent ze wel, van de Amerikaanse familiefilms: ‘Carpe Diem’ en, om met Herman van Veen te spreken, ‘je kunt altijd opnieuw beginnen.’ Het kleine beetje ongerichte spanning dat de film heeft opgebouwd, vloeit als een clichématige aderlating weg, richting goedbedoeldheid. Zo komt toch alles heel snel goed met de sympathieke Odd en verwijst Hamer zijn film linea recta naar de volgende aanbeveling: een heerlijke film om op zondag met je oma te kijken. Middelmatige arthouse, die niemand tegen de borst zal stuiten.


(Dit artikel verscheen oorspronkelijk op filmorama.nl)

3 nov. 2009

Boris Ryzhy (Aliona van der Horst, 2009)

Boris Ryzhy (over Russisch dichter Boris Ryzhy) is een typisch voorbeeld van hoe goed een documentaire een onderwerp als centraal punt kan nemen en vervolgens uitgroeit tot een portret van iets veel groters. Rusland in de jaren '80 in dit geval - en de onuitwisbare herinnering die deze periode bij de Russen heeft achtergelaten. De plotse en geniepige overgang van communisme naar kapitalisme door middel van de Perestrojka wordt op rauwe, poëtische manier ondubbelzinnig duidelijk in deze docu van Aliona van der Horst. De onverklaarbare zelfmoord van Rhyzy lijkt welhaast synoniem voor het definitieve einde van een Rusland waar zijn inwoners zo heimelijk naar terugverlangen. Subtiel verschuift van der Horst continu de aandacht naar de randvoorwaarden voor deze tragische en unieke dichter, zonder hem uit het oog te verliezen. Wederom wordt duidelijk dat Russen de ziel als geen ander kennen: luister naar de zoon van Boris en je weet waar ik het over heb. Russen zijn bandieten, maar wel de meest poëtische, met Rhyzy als schrijnend voorbeeld hiervan. Ontroerend, inzichtelijk en ongrijpbaar.

van de NPS:

Filmdocumentaire over poëzie, de Russische maffia, zelfmoord, liefde en de tragiek van de Perestrojka-jaren. Een portret van een jonge dichter van de 21ste eeuw voor wie het leven in de ijzige industriestad Jekaterinburg ondraaglijk werd. 'Al mijn gedichten gaan over liefde en dood, er zijn geen andere thema's', schreef Boris Ryzhy, de piepjonge Russische deelnemer aan Poetry International Rotterdam van 2000. 'Maar het is een dom cliché dat een dichter een persoonlijke tragedie moet hebben.

Ik ben zielsgelukkig met mijn jeugdliefde Irina en mijn zoon.' Een jaar later zal deze charmante en bewonderde dichter-hooligan zich ophangen in zijn kamer, de wereld in verbijstering achterlatend. Hij werd 26 jaar. 'Hij was als een komeet die aan de hemel oplichtte om vervolgens weer uit te doven', zo schreef de Russische pers over hem. Zeven jaar na zijn dood reisde Aliona van der Horst samen met Maasja Ooms (camera) af naar de ijzige industriestad Jekaterinburg, op de grens van Siberië, om de sfeer van zijn gedichten te vangen en het raadsel van zijn dood te ontsluieren. Een film vol intense blikken, industriële sferen en tragikomische ontmoetingen met buurtbewoners van de Staalschrootwijk, de ruige bandietenwijk waar Boris opgroeide en die hij de goudmijn voor zijn poëzie noemde. Een lelijke wereld die door zijn gedichten wonderschoon wordt.


--

Boris Ryzhy (Aliona van der Horst, 2009)

Get Microsoft Silverlight

2 nov. 2009

The Subconscious Art of Graffiti Removal (Matt McCormick, 2002)

Het lijkt een grap, een diss; een urbane veeg naar de high-brow snobs, deze experimentele documentaire van filmmaker Matt McCormick. En dat is ook, gedeeltelijk. Om nou te zeggen dat het sociale en culturele commentaar dat wordt opgedist voeten in de aarde zet is wat overtrokken, maar het zet je toch even aan het denken. Voornamelijk de passage over subconscious en conscious art wist mij wel te bekoren. De spottende, satirische vorm lijkt simpelweg de enige manier om de beelden van dit 'kunstzinnige' fenomeen aan elkaar te rijgen. Als je deze grap los kan laten, zie je een bijzondere combinatie tussen mockumentary (letterlijk; het wordt ge-mockt) en fijnzinnige observatie. De stem van kunstenares Miranda July (van Me and You and Everyone We Know) vertelt inderdaad af en toe net iets te flauwe, overtrokken statements en de soundtrack is ook even wennen, maar onder deze flauwige toon zit toch een heel mooi filmpje. McCormick, die inmiddels een zeer charmant en afwijkend oeuvre van korte films bij elkaar heeft gefilmd, komt dit jaar met een speelfilm: Some Days Are Better Than Others.



An official entry in this year’s Sundance Film Festival, The Subconscious Art of Graffiti Removal is Portland, Oregon-based filmmaker Matt McCormick’s satirical look at that city’s unconscious attempt to create art, even while covering it up. Comparing the sparse patches of color — or “buffs” — created with rollers and brushes by city clean-up crews to the paintings of Abstract Expressionists like Mark Rothko, the short is a tongue-in-cheek look at what the filmmaker claims is one of “the most important art movements of the 21st Century.”

McCormick’s film details the layered and complex, collaborative and unconscious process of creating “grafitti removal.” To illustrate, McCormick’s film presents a series of “buffs” in the manner of an art-history slide presentation. He explains the methodology of city workers, who are oblivious to their own artistic skills, as various examples of “graffiti removal” fade on and off of the screen. By juxtaposing images of industrial cityscapes with “graffiti removal,” McCormick emphasizes our unconscious need to create beauty around us — even if it means suppressing the communication and expression of others.

--

The Subconscious Art of Graffiti Removal (Matt McCormick, 2002)