9 sep. 2009

The Wrestler (Darren Aronofsky, 2008)

Mickey Rourke, de acteur die op meeslepende wijze gestalte geeft aan uitgerangeerd worstelaar Randy the Ram (puttend uit een diep dal dat zijn vijftienjarige afwezigheid uit de filmwereld heet) kijkt het grootste gedeelte van de film als een geslagen hond vanonder zijn lange, platina blonde lokken naar de wereld. Af en toe gooit en strijkt hij zijn blonde haar naar achteren - ijdel, trots. Worstelen, zoals we allemaal weten, is nep; een gechoreografeerde show met afgesproken lijdzaamheid, verborgen tekens en schwalbes. Waarom is er nog niet eerder een film gemaakt over dit ballet voor testosteronverslaafden? Het antwoord zit in dezelfde hoek als Milli Vanilli - vergeef me de associatie, misschien is het de jaren tachtig in combinatie met het lange haar. Is het echt interessant te kijken naar iemand die zijn hele leven heeft ingericht op de reactie van het publiek en het volhouden van de schijn? En dan mislukt?




Een film over het mislukte duo Milli Vanilli zou een stuk minder intrigerend zijn dan een film over een muzikant als, zeg, George Michael. Noem het een gebrek aan werkelijke ervaring; een ontbrekend vermogen je echt uit te drukken; een lijden zonder gevecht. De veelgemaakte (en logische) vergelijking tussen de echte Rourke en zijn rol als diepgezonken worstelaar trekt hier scheef. Ingezoomd op de val, vergeet The Wrestler dat er een strijd is ín een artiest. Een strijd die we niet krijgen te zien op een podium: het gevecht met jezelf. Dat is waar deze film van regisseur Darren Aronofsky rechtsaf slaat. Aronofsky heeft sinds The Fountain bewezen dat hij een regisseur is om rekening mee te houden; iemand die bewonderenswaardige risico’s neemt. Maar zijn Wrestler is buiten twee onwaarschijnlijk intense vertolkingen van twee acteurs op de top van hun overgave, een beetje ondiep.

Randy the Ram heeft het moeilijk. Na zijn zegetochten in de jaren tachtig is hij nu verworden tot een worstelaar die mag rekenen op nostalgisch respect, maar niet op geld. Hij komt zijn kleine woning in het trailerpark niet eens meer in en schraapt bijbaantjes en worstelschnabbels bij elkaar. Hij speelt Nintendo met de buurjongetjes, hij luistert naar Def Leppard en Guns ’N Roses en spendeert het weinige geld dat hij heeft aan een stripper, Cassidy (Marisa Tomei). Randy zoekt het beetje liefde wat hij kan krijgen bij Cassidy en betaalt haar voor lapdances. In feite zoekt hij echte liefde, alleen weet deze man, die mentaal het gedrag van een puber vertoont, niet anders te zoeken dan in een stripclub. Randy weet zich niet los te maken van zijn persona uit de jaren tachtig en snapt weinig van de regels buiten de ring.

Als hij na een bloederig gevecht met nietpistolen en prikkeldraad (want ook nepworstelen vergt bloed en pijn) door zijn knieën zakt in de kleedkamer en ontwaakt in het ziekenhuis, wordt hem verteld niet meer te worstelen. Zijn hart kan het niet aan. Randy besluit zijn leven te beteren en zoekt op aanraden van Cassidy weer contact met zijn dochter Stephanie (Evan Rachel Wood), die hij jarenlang genegeerd heeft. Dit gaat moeizaam en is overduidelijk een poging de simpele, mislukte Randy een extra laag te geven; een man op zoek naar verzoening. Deze plotlijn voelt zeer geforceerd aan en leidt ontzettend af van de interessante verhouding tussen Randy en Cassidy, beiden worstelend met hun publieke persona en hun behoefte aan rust en liefde. Uiteindelijk zoeken ze toenadering naar elkaar en wordt duidelijk hoe moeilijk dit voor ze is. Het testosteron van hem knalt tegen haar metersdikke beschermingslaag.




Rourke en Tomei geven zoveel, dat het soms moeilijk te bepalen is waar hun personage en hun echte persoon ophoudt en begint. Dapper is een beschrijving die eigenlijk te kort doet aan hun - letterlijk - naakte verschijningen op het scherm. Het is een fragiel, intens en ontwapenend spel wat ze spelen. Een duo-vertolking die alle hulde verdient die het krijgt en vooral Tomei weer in de kijker van goeie regisseurs zou moeten spelen. Rourke is weer helemaal terug. En dankbaar, maar ik denk dat ook Rourke zich vergist als hij denkt dat dit komt door de kwaliteit van Aronofsky’s film. Deze comeback heeft hij totaal aan zichzelf te danken.

Dit wordt akelig duidelijk in de grote verzoeningsscène tussen Randy en zijn dochter. Bijna smekend vertelt hij zijn verhaal: “And now I am an old broken down piece of meat - and I’m alone. And I deserve to be alone. I just don’t want you to hate me.” Het grote probleem van The Wrestler is dat hij aardig gevonden wil worden. Er is alleen niet zoveel om van te houden, van dit vechtend stuk opgepompt vlees, deze puberale strijd. Het is meelijwekkend en tragisch, maar de nadruk ligt net iets teveel op medelijden en niet op een echt conflict. Het heeft die zoete, zachte Amerikaanse saus - een faux Ulrich Seidl. Niet geheel toevallig komt de referentie naar The Passion of the Christ langs: dit is een pijnlijke, lang aangehouden blik op het lijden van iemand die alleen verzoening zoekt. Mickey Rourke heeft het inmiddels gevonden. Laten we hopen dat Aronofsky de volgende keer zijn sympathie voor de acteur thuislaat en zich richt op echte risico’s. (Wat afgaande op zijn volgende film het geval is: hij gaat zich wagen aan een remake van één van Paul Verhoevens beste films, Robocop.)


(Dit artikel verscheen oorspronkelijk op filmorama.nl)

Geen opmerkingen: