31 jul. 2009

Room (Kyle Henry, 2005)

Room is geen makkelijke film. Deze eerste film van Kyle Henry, over een door migraineaanvallen geplaagde vrouw doet moeilijk. Vermomd als thriller is Room een rauwe horrorfilm vol beeld- en geluidsmanipulatie. Een duistere tocht langs de verdraaide psyche van een Amerikaanse vrouw van middelbare leeftijd die het - om het maar even kort door de bocht te zeggen - niet meer trekt. Het levert een bijzondere film op, een die op originele wijze realisme, existentiële angst en abstractie poogt te combineren. Dit pakt soms mooi uit, maar eigenlijk doet Room een beetje te moeilijk om echt genietbaar en overtuigend te zijn.




Regisseur Kyle Henry is afkomstig uit Austin, Texas, al jaren een bron van ondernemende filmfanatici - met rebel zonder crew Roberto Rodriguez, roodharig filmverslinder Harry Knowles (Ain’t It Cool News) en Richard Linklater, oprichter van de Austin Film Society, als kloppend hart. Een thuishaven voor de echte indies. Volgens zijn makkers is juist Henry het talent om in de gaten te houden; de nieuwe Texaanse trots. Na een paar documentaires en veel montageklussen - Henry is ook ‘professor of editing’ op de universiteit van Austin - is Room de eerste film waar hij zelf een narratief in heeft geïnjecteerd.

De film opent met een atmosferische ruis; korte geluidsfragmenten van nieuwsberichten geven deze abstracte beelden een vreemde noodzakelijkheid. Als een benauwde collage van een land zoals dit door de gemiddelde Amerikaan ervaren kan worden, zeg maar: Fox News als bron en als brenger van terreur. Julia (Cyndi Williams) is weer eens te laat bij één van haar banen als bingomedewerker. Achter de gevels van deze ‘night-time bingo’ speelt zich voor de zoveelste maal een klein drama af tussen Julia en haar opgefokte, hondse baas. Het is duidelijk dat Julia en haar man Bobby (Kenneth Wayne Bradley) niet eens middle class zijn maar nog daaronder; dat ze net de neus boven water houden in het moeras dat hun financiële situatie heet. De situatie thuis is niet ontdaan van liefde, maar het van hot naar her rennen om te overleven, gecombineerd met twee kinderen en een migraine waar je u tegen zegt, maken het leven voor de slonzige Julia wel zwaar. Bijna ondraaglijk.

Julia valt namelijk elke keer flauw als de migraine en de zenuwen haar te lang tergen. Zo wordt ze soms wakker in een supermarkt of thuis, op de vloer als haar dochter ’s nachts veel te laat thuis komt. Die migraine verbeeldt Henry met statische beelden en dat weet vooral in het begin niet helemaal te mengen met de docu-stijl van de videobeelden, die alles behalve statisch zijn. Langzamerhand worden de beelden duidelijker en aannemelijker: het is een kamer, een soort gekraakte loft. Sluipenderwijs worden alle perikelen Julia teveel, terwijl de film een eigenzinnige narratieve logica krijgt, en ze rijdt - pats, boem! - in een flauwte tegen een paal aan. Deze kettingreactie doet Julia haar baas bestelen en het eerste de beste vliegtuig naar New York te nemen. Een verstandsverbijstering.



In New York gaat ze op zoek naar deze kamer. Onderwijl botst de inmiddels hallucinerende en ontredderde vrouw tegen allerlei figuren; een oude en hysterische vriendin, een giftige makelaar en een demonische tarotlezer. Een helse en vergeefse missie. Het is vooral een zoektocht zonder conclusie en dat maakt Room tot zo’n onbevredigende, halve ervaring. Dat de film een dwingende impuls als uitgangspunt neemt en niet een verhaal, zou geen probleem moeten zijn. De invulling van Cyndi Williams is daarbij welhaast fenomenaal: ze mag dan wel de hele tijd verdwaald en verward zijn, toch zet ze met Julia een rol neer die een versterkte echo lijkt van het acteerwerk zoals Kathy Bates of Ellen Burstyn dat vroeger nog zo indrukwekkend deden. Ook de geluidsmontage is bovennormaal goed en beklemmend.

Dit alles wil toch niet verhelpen dat de film zich te onafhankelijk en anarchistisch opstelt en daarbij zijn publiek vergeet. Het is een dappere strijd tegen de standaard van Henry, maar hij zet een veel te groot arsenaal in om te verhullen dat de film niet meer dan een sfeerschets is; materiaal voor een korte film misschien, maar niet genoeg om bijna tachtig minuten te vullen. De anarchistische en sociaal betrokken toon van de film is interessant (zeker voor de Amerikanen zelf), maar de geforceerde politieke lading, karikaturale bijfiguren en deprimerende alledaagsheid werken niet overtuigend genoeg; botsen zelfs met de rare migraine-esthetiek. Dat de zoektocht van Julia ontlaadt in een staaltje anticlimax en visuele brille is niet meer dan een natte pleister op de wond. Het blijft niet hangen.

Room is zo onafhankelijk dat het vergeet dat je wel heel veel in huis moet hebben om niet afhankelijk te zijn van één van de belangrijkste ingrediënten van film: melodrama - en een catharsis. Helaas zijn deze ver te zoeken in Room. Experimenteel: ja, een beetje, maar vooral dwars en teleurstellend.


(Dit artikel verscheen oorspronkelijk op filmorama.nl)

11 jul. 2009

Swoon (Tom Kalin, 1992)

Lang voor O.J. had Amerika al een ‘trial of the century’, in 1924. Er zaten twee mannen in de beklaagdenbank: ‘Babe’ Leopold en ‘Dickie’ Loeb. Nathan Freudenthal Leopold, Jr. en Richard Albert Loeb, twee rijke studenten, hadden schuld bekend in de moordzaak op de 14-jarige Bobby Franks. Amerika stond op zijn kop - mede door de koele, afstandelijke wijze waarop deze bijzonder intelligente jongens zichzelf presenteerden naar het publiek en de media, maar vooral over het feit dat deze jongeheren homoseksueel waren. Hun voorkeur werd grootschalig ingezet (ook door hun advocaat, die hen zo van de galg redde) om een motief te plakken op deze mysterieuze zaak, want hun credo de perfecte moord te willen plegen om zo op Nietzscheaanse wijze aan alle moreel te ontstijgen, ging er natuurlijk niet in bij het grote publiek.




Swoon (1992) is hierop gebaseerd en is het speelfilmdebuut van regisseur Tom Kalin, die - naast het script voor het bizarre Office Killer (van kunstenares Cindy Sherman) en de productie van I Shot Andy Warhol - nog één andere speelfilm regisseerde: Savage Grace. Ook die film heeft een waargebeurde moord met een (onderdrukte) onomwonden homoseksuele dader als inspiratiebron. Niet voor niets werd Swoon (en daarmee Kalin) gezien als onderdeel van de New Queer Cinema, samen met Poison van Todd Haynes en The Living End van Gregg Araki. Voor zover DVD-winkels deze categorie hebben, zul je deze film dus waarschijnlijk treffen onder het kopje ‘Gay’, maar dit laat ons natuurlijk al lang niet meer afschrikken in deze metroseksuele tijden.

Kalin is de eerste die deze breeduitgemeten moordzaak zo roze inkleurt; al eerder gebruikte Hitchcock het als bron voor Rope en ook Michael Haneke liet zich inspireren toen hij Funny Games (twee keer) maakte. Tot dusver de (film-)geschiedenis. Ondanks de homoseksuele nadruk is dit zeker niet de reden waarom Swoon zo’n intrigerende en welhaast hypnotiserende film is. Dat is volledig te danken aan de bijzondere stijl van Kalin; een kruising tussen de glamour van zwart-wit modefotografie en de soberheid van minimalistische arthouse, dit alles overgoten met een speelse, intelligente saus van montage en juxtapositie. Tel daarbij op rare anachronistische elementen, zoals moderne afstandbedieningen en telefoontoestellen en je hebt een verfrissend staaltje avant-garde dat niet tegen het hoofd stoot.

In Swoon draait alles om Leopold (Graig Chester) en Loeb (Daniel Schlachet): na een vervreemdende opening waarin von Masochs Venus in Furs letterlijk ten tonele wordt gebracht - een tekst die als thema in de film zal terugkeren - zien we de twee mannen stiekem genieten van hun liefde. Voor ze elkaar een ring overhandigen smijten ze eerst nog wat flessen kapot. Middels impressionistische beelden, oude archiefbeelden en voice-overs van beiden wordt de criminele aard van hun relatie uit de doeken gedaan: de machosistische Loeb lijkt een sensuele overredingskracht op de bangige, gepassioneerde Leopold uit te oefenen. Elke misdaad - in eerste instantie nog redelijk onschuldig - wordt door Loeb beloond met seks: een verwrongen bindingsproces. Het is een ingewikkelde, Freudiaanse toestand, maar Kalin weet deze betoverende roes enigszins inleefbaar te vertellen.




De moord op Bobby Franks is eigenlijk gewoon een onderdeel van deze uit de hand gelopen rituelen en de jongens bereiden hun meesterplan tussen het socialiseren en discussiëren door, zoals ze ook een thesis over moraliteit zouden schrijven. Deze afstandelijke en intellectuele benadering zit ook in de film, maar wordt gelukkig afgewisseld door prachtig camerawerk; kleine details die de poëzie en alledaagsheid van de situatie benadrukken. De ontvoeringscène is een kleine meesterwerkje op zich: onder de ondraaglijke lichtheid van hun handelingen schuilt een onderhuidse spanning die lijkt op te lossen in de mooie beelden. De twijfelende Leopold laat zich steeds maar weer meevoeren door de amorele Loeb, die, als ze de gehuurde auto ontdoen van bloedsporen, nog grappend tegen een chauffeur zegt: "Sven, you've just had the pleasure of shaking hands with a murderer".

Als het duo eenmaal opgepakt wordt, zwichten ze al snel voor het feit dat ze geen perfecte moord hebben gepleegd; alibi’s en bewijsmateriaal werken ze tegen. Het slot van de film verraad een beetje de motieven van Kalin, maar wel op knappe manier. Zonder te veroordelen laat hij zien hoe de twee openlijk en laconiek hun schuld bekennen. Terwijl de buitenwereld zich geen raad weet met zulke moordenaars, zoeken de mannen alleen erkenning bij elkaar, of zoals Leopold bekent: "Killing Bobby Franks together would join Richard and me for life". Het zijn die laatste scènes; waarin het gerecht op zoek gaat naar rationele verklaringen en aan de haal gaat met de feiten (het was een perverse verkrachting!); waarin de media de dood van Leopold in de gevangenis vervormt tot een sensationeel en rechtvaardig verhaal, dat je er achter komt hoe subtiel en genuanceerd deze film eigenlijk is. Swoon intrigeert omdat het geen redenen geeft of uitspraken doet, maar zich op stijlvolle wijze concentreert op deze enigmatische partners in crime.


(Dit artikel verscheen oorspronkelijk op filmorama.nl)

2 jul. 2009

Eenmaal geslagen, nooit meer bewogen (Gerrard Verhage, 1995)

Een Hollandsere titel houd je niet voor mogelijk: Eenmaal geslagen, nooit meer bewogen. Deze komt waarschijnlijk uit dezelfde straat als De geschiedenis van mijn kaalheid en Zwaarmoedige verhalen voor bij de centrale verwarming - let wel: zonder hoofdletters, zoals een nuchtere Nederlandse titel betaamt. Klinkt als een boek. Zo’n vergeeld en stoffig boek dat jaren op de plank van je eikenhouten kast staat voordat je het eruit trekt en ontdekt dat het er toch met een reden stond. Deze film van Gerrard Verhage valt helaas niet in de categorie van laatontdekte pracht. Sterker nog: het stof laat zich er maar moeilijk vanaf blazen.

Eenmaal geslagen, nooit meer bewogen is gebaseerd op een Belgisch boek, gek genoeg: La Mèche (De Lont) van Lucy Veldhuizen-Marchal, uit 1948. Vaste scenarist van Verhage, Ger Beukenkamp, bewerkte dit boek eerst tot toneelstuk en later tot script. Een vaderloos gezin in Amsterdam Zuid - gefilmd in Den Haag – leeft binnenshuis, in een wereld van boeken; moeder (toneelkoningin Ineke Veenhoven) zwaait de scepter over klein gehouden zoon Charles (een veel te grote Jack Wouterse in een geruite spencer) en ontevreden dochter Gina (Ariane Schluter, die de show steelt). Charles is een boekenwurm, evenals inwonende neef Jozef (Stefan de Walle, die iedereen zal herkennen als Kees uit de serie Flodder). Continu quoten de neven - maar ook moeder - erop los en reciteren ze uit boeken van auteurs die in de jaren ’50 hoog in het vaandel van literatuurminnend Nederland stonden, maar nu niet eens meer leeslijsten sieren - Anna Blaman, iemand?




Het is een benauwd huis, precies zoals je ze voorstelt bij Nederland in en nabij 1950: grote, slecht verlichte vestingen van keurigheid; vale, bruingroene interieurs die men alleen verlaat om naar de slager aan de overkant te gaan. Of, in dit geval: de apotheker. Charles bekent aan zijn moeder dat hij gaat trouwen met de weduwe van de apotheker, in de hoop daarmee zijn diepgewortelde band met deze familiebestierster te ontkrachten. Mary (Kathenka Woudenberg), de apothekersweduwe, zal spoedig intrekken. Moeder reageert ontzet en gefrustreerd: deze situatie gaat uit de hand lopen. Jozef, ondertussen, zit boven in zijn kamer en beziet alles. Hij werkt aan een roman en gebruikt de familieperikelen als directe inspiratie. Hij wisselt dit af met het botvieren van zijn seksuele verlangens op Gina en Mary - waarvan hij vermoedt dat zij de apotheker zelf heeft omgebracht - en het becommentariëren van de karakters in zijn roman. Zo zou een dunne lijn moeten ontstaan tussen wat werkelijk gebeurt en wat Jozef verzint.

Dit wil maar niet uit de verf komen. Het levert een knullige constructie op; een misplaatst gevoel van postmoderniteit; een interessant concept dat een bijna autistische interesse in zichzelf toont. De acteurs - naast de fotografie en decors - weten dit enigszins te verhullen, ondanks de literaire toon die aan alles plakt en misschien op een toneel nog wel werkt, maar hier alleen maar op de boekenplank slaat. En dat is eigenlijk wel zonde van het acteertalent: Jack Wouterse, de Philip Seymour Hoffman van de lage landen; Veenhoven, de Mary Dresselhuys van de buis; De Walle en met name Alex van Warmerdam-collaboratrice Ariane Schluter maken het toch een dubieus genot deze vreemde film te aanschouwen.




Regisseur Verhage, die vorig jaar overleed, was een bevlogen man: medeoprichter van het filmtijdschrift Skrien, Het Amsterdams Stadsjournaal (een links, betrokken filmcollectief uit de jaren ’70) en de Dutch Directors Guild. Bij het grote publiek zal eigenlijk vooral De Dominee associaties oproepen, bij het kleine publiek de documentaires uit zijn activistische periode, zoals zijn prachtige debuutfilm De Koppelbazen. Publieksfilms; het was een nieuwe richting voor afgestudeerd neerlandicus Verhage, die naast een verfilming van Nooit meer slapen (van W.F. Hermans) ook met een film over Willem Holleeder en Willem Endstra in de weer was. Eenmaal geslagen, nooit meer bewogen mist de bevlogenheid die in zijn andere films wel terug te vinden is. Het is als Abel of De Avonden, maar dan van een maker die niet precies weet wat de noodzaak van zijn verhaal is. Alles is ontdaan van drama, vervangen door een Nederlandse nuchterheid en precisie. Dit is Nederlandse Cultuur - met een hoofdletter - maar de grote vraag is: voor wie? Studenten Nederlandse Literatuur?

Ondanks hard bewijsmateriaal lijkt het me dat scenarist Beukenkamp het verhaal van Veldhuizen-Marchal heeft bewerkt zodat niet Gina de persoon is van waaruit we de familie bezien, maar schrijver Jozef. Deze cynische rol is lekker literair, maar levert een film op die vergeet zijn publiek te betrekken. Terwijl juist Gina de enige is die nog een emotionele strijd levert met de beklemmende, intellectuele gang van zaken. Zo wordt Eenmaal geslagen, nooit meer bewogen een mislukt portret van een overbekend Nederlands gegeven: de beklemmende huiskamersfeer uit de jaren ’50. En dat is jammer, want als iemand dit literaire genre eens goed zou afstoffen, zou een film gemaakt kunnen worden die niet alleen cultureel verantwoord is, maar die deze tijd ook helemaal inleefbaar maakt.


(Dit artikel verscheen oorspronkelijk op filmorama.nl)