13 jun. 2009

Thief (Michael Mann, 1981)

Thief. Zelden was een filmtitel zo simpel. Op het eerste gezicht is Thief ook niet een film die het uitschreeuwt van de plank te worden getrokken in een videotheek - James Caan met een pistool op de voorkant. Nog nooit van gehoord. 1981, is dat niet het jaar waarin de opmars van de luidruchtige actiefilm begon en victorieus een doodslag uitdeelde aan de inventieve karakterstudies uit de jaren ’70 om de weg te plaveien voor synthesizers, lompe actie en oppervlakkige karakters? Ja, correct. Maar ook het jaar waarin het postume album van Joy Division verscheen. Deze film van Michael Mann, zijn eerste in een carrière die ons Miami Vice, Manhunter en Heat heeft gebracht, is aan de oppervlakte bedrieglijk simpel en eenvoudig, een beetje lomp zelfs. Daaronder zit een verborgen en duistere juweel; een authentieke thriller. Het is niet geheel toevallig dat de film in Duitsland Einzelgänger en in Frankrijk Le Solitaire heet.

De film opent op een regenachtige avond. Een man stapt in een auto, hij rijdt naar een afgesproken plek en ontmoet zijn partner; er wordt nauwelijks gepraat, alleen gedaan. De titel en de routineuze wijze waarop de mannen handelen zeggen genoeg: ze gaan een kraak zetten. De melancholische muziek is van Tangerine Dream (een Duitse band die samen met Vangelis de synthesizersoundtrack van een twijfelachtig overlijdensbericht heeft weten te redden) en de handelingen hebben hetzelfde air van mysterie als de handelingen van een bouwvakker - toen je nog bouwvakker wilde worden. Er wordt geboord, er worden lijnen doorgeknipt, kluizen opengebroken. Alles in detail. Maar niet op een opzichtige manier, niet alsof alles er vanaf hangt. Dit is geen esthetische spanningmakerij, hier wordt gewerkt vanuit routine en vertrouwen; als een echte baan. Als de mannen klaar zijn gaan ze weer naar huis.




Frank heeft twee banen, ’s nachts is hij juwelendief, overdag is Frank (geen achternaam, gespeeld door James Caan) autodealer. Hij brengt de diamanten naar een dikke man, Gags, die het graag overneemt voor de gevraagde prijs. Terwijl ze deze deal onder de tafel van een diner sluiten, raadt hij Frank aan eens te praten met zijn opdrachtgevers. Frank weigert acuut: deze dief werkt voor zichzelf, redt zichzelf en niemand anders. Frank heeft één partner, Barry (James Belushi, een introverte eerste filmrol), en geen behoefte aan nieuwe contacten. Of toch wel: er is die stralende serveerster die Frank steeds opzoekt, Jessie (Tuesday Weld, een perfecte combinatie tussen Faye Dunaway en Renée Soutendijk). Als Barry de rest van de poet bij Gags moet ophalen, gaat het fout.

Gags is vermoord. Frank gaat op zoek naar degene die verantwoordelijk is voor deze moord om zijn gedeelte van het geld op te eisen en komt terecht bij de eerder genoemde opdrachtgever. Het is een zoektocht waarin James Caan laat zien hoe je een bedreigend, niets ontziend karakter moet neerzetten: kalm, rechtlijnig en met woede-uitbarstingen die de grens tussen psychotisch en vastbesloten doen vervagen. Caan vreet het scherm op in de beste rol uit zijn loopbaan - een gedeelde eerste plaats met zijn Sonny uit The Godfather. Net als je sympathie voor deze roekeloze crimineel taant, komt de blanke pit van deze ruwe bolster. Frank draagt namelijk een collage met zich mee - een klein kunstwerkje - waarin hij naast de gruwelen uit zijn gevangenisverleden zijn droom heeft vastgelegd; een toekomst met een gezin en zijn oude vriend Okla (een uiterst sympathieke Willie Nelson). De scènes tussen Frank en de gedetineerde, stervende Okla zijn warm, maar de scène die het hart van de film vormt, en ook precies in het midden zit, is briljant - een ontmoeting in een diner ’s nachts; een voorbode van Heat.

Frank heeft besloten Jessie tot zijn vrouw te maken en moet nu alleen nog Jessie van deze beslissing op de hoogte stellen. Hij is twee uur te laat voor zijn afspraak met haar en gooit al zijn overredingskracht in de strijd om haar mee te krijgen. Al in de auto, op weg naar de diner, brandt zijn vurig monoloog: “See, I’m a straight arrow. I’m a true blue kind of guy. I’ve been cool. I am now unmarried. So let’s cut the mini moves and the bullshit and get on with this big romance.” Deze agressieve romantiek van Frank is tekenend voor wie hij is: hij geeft nergens meer om, wil alleen nog overleven en heeft een criminele, praktische staat van Zen bereikt. Hij heeft zich doelen gesteld en gaat bij het bereiken van deze doelen net zo te werk als bij het kraken van een kluis; recht door zee, direct. Dus doet Frank zijn hele gevangenisverleden en beoogde toekomst uit de doeken voor Jessie, in een monoloog die zo eerlijk en authentiek aandoet, dat je het er warm van krijgt. Net als Jessie, die ontroerd toestemt.





Deze authenticiteit is wat Thief tot zo’n fascinerende en intense film maakt. Dit komt mede door de praktijken van Mann: gebaseerd op het boek The Home Invaders van Frank Hohimer (een dief die tijdens de opnames in de gevangenis zat), een professional als technisch adviseur (meesterdief John Santucci, die agent Urizzi speelt) en echte kluizen die echt gekraakt worden. Mann laat ook zien dat zijn stijl - blauw, zwart en neon: een kale, koude broeierigheid - vanaf het begin al gepland was. Thief is praktisch de enige film uit de jaren ’80 die de esthetiek van dit decadente decennium weet te combineren met de losse, doch geconcentreerde karakterverhalen uit de jaren ’70.

Voor een film die twee uur duurt, voelt het script aan als messcherp. Frank komt in contact met topchief Leo (een charmante, maar duivelse Robert Protsky) en besluit zijn droom na te jagen en zijn onafhankelijkheid op te geven; met alle gevolgen van dien. De politie raakt betrokken maar Frank zal en wil niet buigen voor de zogenaamde regels. Zo sleurt Frank in de rechte lijn naar zijn doel onbedoeld allemaal problemen mee die hij niet weet af te schudden. Hoe sterk zijn filosofie ook is. Thief is een intelligente, briljant geacteerde, authentieke juweel van een film. Een veilig bewaard geheim in de kluis die de jaren ’80 heet.

Geen opmerkingen: