6 mei 2009

Yo Soy Así (Sonia Herman Dolz, 2000)

Yo Soy Así, van documentairemaakster Sonia Herman Dolz, vormt samen met Romance de Valentía (1993) en Lágrimas Negras (1997) een ‘trilogie over kunst als levensstijl’. Dolz, die van 1993 tot 1996 vooral documentaires voor televisie maakte, werd door Neerlands experimentalist Frans Zwartjes geschoold aan de Vrije Akademie in Den Haag. Dolz is de dochter van geëmigreerd Spaans kunstenares Dora Dolz - een bevlogen en productieve vrouw - over wie ze in 2006 een ontroerend portret voor de NPS maakte, niet ontoepasselijk getiteld: Portret van Dora Dolz. Dat haar liefde voor een flamboyante mentaliteit diep zit is overduidelijk in Yo Soy Así (Zó Ben Ik).

In Barcelona stond ooit La Bodega Bohemia, een club waar oude mensen, vooral ‘transformistas’ (travestieten) liefdesliedjes ten gehore brengen voor hun trouwe cliënteel. Stond. Want de Bohemia is niet meer; toen de eigenaar overleed werd de tent genoodzaakt te sluiten en de artiesten ontslagen. De beschrijving op de DVD weet dit pas op het laatst te vermelden, waardoor je het idee krijgt dat deze documentaire hier iets mee gaat doen; dat er misschien wel een dramatisch gegeven in verscholen zit. Maar Yo Soy Así houdt zich hier maar zijdelings mee bezig, is eerder een portret dan een documentaire.




Een liefdevol portret waar dit nostalgische gegeven een mierzoete laag melancholie over de mensen en beelden smeert. Bijvoorbeeld over Mario del Valle, zo’n beetje de hoofdrolspeler. Mario is een pezige, levendige man die graag als ‘vrouw’ op een podium staat om zijn aanstekelijke performance op het publiek los te laten.

De film opent met een quote van Oscar Wilde - blijkbaar een grote inspiratiebron voor Dolz, want Portret van Dora Dolz opent ook met Wilde. “It is through Art and through Art only that we can realize our perfection; through Art and Art only that we can shield ourselves from the sordid perils of actual existence.” Dan zien we Mario voor de spiegel transformeren tot een ‘vrouw’; de geaffecteerde manier waarop hij aan het einde van dit ritueel zijn sigaret hanteert maakt het helemaal af. Zo is hij, zo is hij perfect. Als we Mario vermoeid de vele trappen naar zijn doodgewone flat zien oplopen, valt er iets heel hard op. De camera. Dit is een uitgekookt shot; deze scène is geoefend, dit is geënsceneerd, artificieel.

Het duurt een hele tijd voordat deze - soms fraaie, soms knullige - enscenering, dit akelige bewustzijn van de camera naar de achtergrond verdwijnt. Ondertussen hebben we de meeste artiesten langs zien komen in hun gewone, maar zeker niet onaangename levens. We bewegen ons naar de laatste avond in de Bohemia, een oude man op straat (naar eigen zeggen een beroepsdief) roept naar de kijker/maker: “Rot op met die camera, of je krijgt een optater!” Het is bijna een cue voor de film om zijn artificiële, mooie maniertjes los te laten en zich te concentreren op wat de artiesten te vertellen hebben, door middel van interviews. Grote hulp hierbij is Enrique Martí, de bedrijfsleider van de Bohemia. Deze enthousiaste man vertelt honderduit en zet op aandoenlijke wijze ‘zijn’ artiesten in de schijnwerpers.




Het laatste gedeelte van de film (met interviews en optredens) is een klein en ontroerend feestje. Gilda Love, Juan José Vara del Rey, La Manuela, Carmen de Mareina: ze hebben je sympathie. Maar er is teveel respect en teveel liefde voor deze mensen om het tot een boeiende documentaire te maken. Is de term ‘hagiografie’ hier niet van toepassing?

De levens van deze mensen zijn doodgewoon en gezellig (allesbehalve ‘sordid’) en de optredens van deze artiesten zijn amper perfect te noemen. Aandoenlijk, zeker. Warm ook. Maar het tekent de film dat het de donkere, intrigerende kanten die soms aan het licht komen - de plastische monsterlijkheid van Carmen, het regime van Franco, de homofobe kreten die Mario naar zijn hoofd krijgt op het podium - laat liggen voor wat ze zijn. Anders dan in twee fascinerende films van Dolz (The Master and his Pupil en Portret van Dora Dolz) ontbreekt hier eigenlijk een dialoog tussen maker en onderwerp. Er is vooral bewondering. Hierdoor is het onmogelijk deze mensen te doorgronden, te begrijpen; er is alleen de flamboyante oppervlakte. Of om het - gemeen en nichterig - met Wilde af te sluiten: “Every portrait that is painted with feeling is a portrait of the artist, not the sitter.”

(Dit artikel verscheen oorspronkelijk op filmorama.nl)

Geen opmerkingen: