31 mei 2009

Alice Doesn't Live Here Anymore (Martin Scorsese, 1974)

Alice Doesn’t Live Here Anymore is de vierde film van Martin Scorsese. Een film die vaak ontbreekt in retrospectieven en analyses van zijn oeuvre. Gemaakt na Mean Streets - waarmee hij zijn met bloed en straatvuil besmeerde visitekaartje achterliet - is dit het verhaal van Alice, de huisvrouw die nooit opgeeft en zich overal doorheen bijt. Een belangrijke film voor actrice Ellen Burstyn, die haar enige Oscar won met deze film. Vermoeid door scripts bezaaid met afhankelijke, stille of mysterieuze vrouwen, leurde ze langs studio’s en regisseurs met het verhaal over deze onafhankelijke, goedgebekte vrouw. Ze werd voorgesteld aan Francis Ford Coppola. Hij was druk bezig met twee andere films (toevalligerwijs twee meesterwerken: The Conversation en The Godfather Part II) en raadde zijn maat Scorsese aan. Scorsese zag het wel zitten; hij wilde zichzelf, een aarzelende Burnstyn en de wereld wel bewijzen dat hij ook een vrouwenfilm kon maken, dat hij niet alleen dealde in machomannen met gevoelsproblemen en gangsterpraktijken.




Laat ik maar meteen door deze zeepbel heen prikken en ook een paar andere uiteen doen spatten. Scorsese kan geen vrouwenfilms maken en dat moet hij ook niet willen. Sommige films worden niet voor niets over het hoofd gezien in een oeuvre van een groot cineast - een oeuvre dat sinds Bringing Out The Dead gestaag uitbreidt maar niks meer toevoegt. Niet alles - maar ontegenzeggelijk wel erg veel - uit de jaren 70 is cinematisch goud. Vaak zijn juist de onbekende werken van een meester interessant, naast voer voor completisten ook films die een ander, origineler licht op een carrière schijnen. Kleine juweeltjes. Alice Doesn’t Live Here Anymore is dat niet. Sterker nog: het is een spotlight op de zwakheden van Scorsese.

Alice opent met een vervreemdend stukje artificiële cinema, een proloog die rechtstreeks uit The Wizard of Oz lijkt te komen. Een klein meisje loopt over een in rood licht gedrenkt landgoed en op de geluidsband klinkt een ouderwetse deun. Het is een hommage aan de glorieuze jaren '50 studiofilms; die groots opgezette kartonnen decors en lyrische nepheid. De camera beweegt net als Scorsese zelf, toentertijd: zelfverzekerd, opgewonden en sierlijk - bijverschijnsel van zijn regelmatige cocaïnegebruik.

Als het meisje, Alice, inbreekt in het liedje en zegt dat ze het beter kan, verandert de hommage in een parodie. Dit meisje is namelijk bijdehand. Ze loopt het kleine huisje binnen en haar laatste noot echoot (onverwacht) op psychedelische wijze door. Opeens zijn we 27 jaar verder, in New Mexico. Alice is huisvrouw, 35 jaar, heeft een onhandelbaar kind en non-communicatieve vrachtwagenchauffeur als man. Alice redt het maar net. Als haar man omkomt in een auto-ongeluk staat ze dan toch op eigen benen. Wat wilde Alice ook al weer worden? Oh ja, zangeres. Ze vertrekt met haar zoontje richting het ouderlijk huis uit de proloog en zal onderweg werk vinden als zangeres; ze zal zelfstandig worden. Veel mannen ontmoeten.

De spitse dialogen, vooral die tussen Alice en haar zoontje, zijn echte wisecrackers. Iedereen crackt ze; de foute man (Harvey Keitel, aanvankelijk charmant, uiteindelijk overdreven psychotisch), de grofgebekte eigenaresse van het restaurant (Diana Ladd), het vriendinnetje van haar zoontje (een piepjonge Jodie Foster) en de ruwe bolster met het kleine hartje (Kris Kristofferson). Een toon die in het begin nog intrigerend werkt, maar die al snel vermoeiend wordt - zeker gezien het onderwerp en het totale gebrek aan verdieping die het zou kunnen geven aan de karakters. Al helemaal als het plot zo clichématig voort kabbelt. Als een hysterische vlucht met een geruststellend einde.





Over toon gesproken: wat Alice Doesn’t Live Here Anymore uiteindelijk de nek omdraait is het gebrek aan consistentie hierin. Van emotioneel naar grappig (bedoeld), van spitsvondig naar hysterisch. Deze stemmingswisselingen zorgen ervoor dat als je even in een goede scène zit - toegegeven: het zijn er een paar - je er vervolgens keihard uitgegooid wordt. Het maakt het verhaal niet alleen ongeloofwaardig, maar ontkleedt de karakters ook van enige uitwerking en verdieping. Tel daar de zenuwachtige camerazwaaien en toeren van Scorsese bij op en je hebt een film die het nobele doel van de hoofdrolspeelster reduceert tot een karikatuur van een drama. Van een regisseur die te vaak bezig is met inventiviteit en techniek, die stiekem verveelt is door het verhaal, maar er ook niet induikt.

Ellen Burnstyn wilde oorspronkelijk zelf het verhaal verfilmen, maar werd dit geweigerd omdat ze te onervaren was. Toch heeft ze een grote rol gespeeld en er voor gezorgd dat Scorsese zich omringde met een grotendeels vrouwelijke crew. Helaas voor deze vrouwen - met name Burnstyn, Ladd en Foster, die het meeste van het materiaal maken - was de man aan het roer een regisseur die iets moest bewijzen. Een hysterische poging een vrouwenfilm te maken. Maar het bewijsmateriaal is alles behalve overtuigend.

(Voor wie een echt ondergewaardeerde, onbekende Scorsese wil zien, raad ik After Hours aan.)


(Dit artikel verscheen oorspronkelijk op filmorama.nl)

Geen opmerkingen: