23 mrt. 2009

Solyaris {Солярис} (Andrei Tarkovsky, 1972)

Solyaris van Andrei Tarkovsky (naar een boek van Stanisław Lem) is vrij uniek binnen het genre van de science fiction film. Juist omdat het zo’n onvergelijkbare film is, is vaak de vergelijking met 2001: A Space Oddysey -van die andere grootmeester Stanley Kubrick- gemaakt: ook uniek, ook abstract en ook langzaam, op het slome af. Meteen zet Tarkovsky het tempo: een rivier met deinende waterplanten, een man die door een tuin loopt, rond een meer. Hij is diep verzonken in gedachten. Afgeleid, maar duidelijk op zoek naar concentratie. Tegen alle science fiction verwachtingen in begint Solyaris met een diepe rust, met natuur; de contemplatieve bedoelingen en werkwijze van de maker zijn meteen duidelijk. Films van Tarkovsky hebben een bijzondere gave je -mits je je er voor openstelt, goed op de bank zit, in het donker- te hypnotiseren. Je kan je bijna voorstellen hoe hypnotiseur Andrei in zijn vingers knipt en je langzaam meeneemt naar een verborgen binnenwereld, je af en toe vragen hierover stelt, met die poëtische Cyrillische woorden die je zachtjes wiegend -net onder het volume van de sfeervolle geluidsband- meetrekken naar een filosofisch debat over de ziel. Zoals een Russisch kunstenaar betaamd.



De man in de tuin is Kris Kelvin (Donatas Banionis). Kelvin is psycholoog, gespecialiseerd in ‘solaristiek’ en krijgt bezoek van Berton, een ex-astronaut die een reddingsmissie boven Solyaris -een verre mysterieuze planeet- heeft ondergaan. Letterlijk, ondergaan: hij heeft allerlei beweringen en ervaringen aan zijn zoektocht naar een vermiste piloot overgehouden die alle wetenschappers om hem heen afdoen als hallucinaties. Als ze samen naar oude uitzendingen kijken waarin Berton wordt ondervraagd, slaat de aardse sfeer van het Russische buitenhuis om in een droomachtige logica. Hij vertelt verward zijn verhaal over wat hij ziet tijdens zijn vlucht naar het oppervlak van de zee die Solyaris heet: mist en kleuren, een tuin die bestaat uit raar materiaal en het pak van Fechner, de vermiste piloot… Of toch. Het is een kind: een pasgeboren, maar veel te groot kind. Hij kan zijn gezicht zien. De associaties met 2001 dringen zich aan je op, alsof Tarkovsky verdergaat waar Kubrick is geëindigd: bij het ‘starchild’. Later hebben de mannen een kort gesprek en al vrij snel geeft Kelvin aan dat hij Berton niet gelooft: “Ik ben niet geïnteresseerd in zieleroerselen. Ik ben geen dichter, ik ben op zoek naar de waarheid.” Berton verlaat woedend de tuin om niet veel later terug te bellen -via ouderwetse beeldtelefoon- hij moest nog iets vertellen, iets belangrijks. Fechner liet een kind achter, een zoon; het kind dat hij op Solyaris zag was als twee druppels water de zoon van de verloren piloot.

Het is hier dat de scheuren in de vergelijking met 2001 duidelijk worden: het wereldbeeld van schrijver Clarke en regisseur Kubrick richt zich naar buiten, naar de oppervlakte, naar techniek en vooruitgang; een abstractie meditatie over de ontwikkeling van de mens. Tarkovsky is geïnteresseerd in het persoonlijke, het binnenste van de mens. Kelvin komt aan op het ruimtestation dat boven Solyaris zweeft, een station dat inmiddels zijn pogingen de kolkende zee onder hen te begrijpen, grotendeels heeft opgegeven: van de oorspronkelijke bemanning zijn er nog maar drie wetenschappers overgebleven. Twee eigenlijk, want zijn vriend Gibarjan heeft kort geleden zelfmoord gepleegd. Het is alsof hij aanmeert op een hermetische capsule vermomt als een kruising tussen een spookhuis en een psychiatrische inrichting. De twee residerende wetenschappers doen geheimzinnig en er lopen andere mensen rond, dolend als verdrongen geesten. Dokter Snaut weet geen samenhangend verhaal te vertellen, maar adviseert hem: “Onthoud. Wij zijn niet op aarde.” Kelvin houd zich staande totdat er een vrouw aan zijn bed verschijnt. Het is de vrouw van wie hij hield, de vrouw die tien jaar geleden zelfmoord heeft gepleegd. Ze wil alleen maar bij hem zijn. De wetenschappers weten waar ze vandaan komt: uit de zee, de zee die blijkbaar een bewustzijn heeft. Het is duidelijk: we zijn niet op aarde. We zitten in een science fiction film die het bewustzijn, het geweten en herinneringen als uitgangspunten neemt voor een experiment in het laboratorium dat fictie heet. Psyche fiction als u wilt.



De relatie tussen Kelvin en zijn vrouw (ex-vrouw, reproductie, fantoom?) is de as waar Solyaris om draait. Het is nu overduidelijk dat deze film andere bedoelingen heeft dan 2001: weliswaar figureren er in beide films ook nog eens vreemdsoortige objecten die gedachten kunnen lezen, maar waar Kubrick op afstand blijft, duikt Tarkovsky naar binnen, diep naar binnen. Wat als de vleesgeworden herinnering zelf herinneringen heeft, zich gaat afvragen wat of wie ze is? Moet hij van haar houden, kan hij van haar houden? Het laatste gedeelte van de film is doorspekt met filosofische discussies, en dat kan soms wat zwaar op de maag liggen. Alsof de hypnotiseur je tijdens de verwarrende reis lastige vragen gaat stellen. Maar wie zo ver is gekomen kan alleen maar nog verder meegaan in het mysterieuze, poëtische verhaal. Wie het gewicht los kan laten, wacht een ontroerende ontdekkingsreis. Een stationaire, metaforische reis aan boord van dit ruimtestation. Een reis die de wetenschappers niet los kunnen laten, die ze eindeloos intrigeert. Zo zweeft dit station als een container van de ziel boven een oceaan van leed, herinneringen en het geweten. En Tarkovsky vraagt je je blik naar de zee te richten, starend naar de oceaan die Solyaris heet.

Geen opmerkingen: