16 mrt. 2009

Midnight Cowboy (John Schlesinger, 1969)

Een groot wit doek en het geluid van gillende cowboys en wilde achtervolgingen. Zo begint Midnight Cowboy. We zijn in Texas, bij de TEX DRIVE IN, daar waar de plaatselijke bevolking hun kennis over de rest van Amerika voor het grootste gedeelte opsnuift. Onder de douche staat Joe Buck, (de letterlijke definitie van Buck is: ‘a robust or high-spirited young man’) een jongeman die besloten heeft dit Texas vaarwel te zeggen en op zoek gaat naar het grote geluk in New York. Vol hoop en met een dosis zelfvertrouwen die nog groter is dan zijn naïeve glimlach, laat Buck (John Voight, een acteur die tegenwoordig vooral bekend staat als de vader van Angelina Jolie) zijn verleden achter zich. Een verleden dat getroubleerder lijkt dan de frisse cowboy-outfit die hij zich zonet heeft aangemeten; via flashbacks -en speelse montage- krijgen we een blik achter zijn blauwe ogen. Een verleden wat later nog grimmiger blijkt, maar waar we nooit echt grip op zullen krijgen, even naïef en ongrijpbaar als Buck zelf. Als een vrouw naast hem in de bus begint over wagenziekte, zegt Buck: “I only get carsick on boats… But seems to me that's more the fish smell than the bouncing...”




Buck heeft wat met oudere vrouwen, zoveel is duidelijk. Zijn plan in New York: gigolo worden -wie zit er niet op zo’n lekkere, gezonde cowboy te wachten? Maar al snel blijkt zijn plan en bijhorende glimlach niet bestand tegen het keiharde New York. Dan ontmoet hij Ricco Rizzo, die door iedereen Ratso wordt genoemd en er ook zo uit ziet: een half kreupele ritselaar met een venijnige, bijna pijnlijke lach. Iemand die allang ‘the American Dream’ heeft opgegeven en nu alleen nog bezig is met overleven. Wij herkennen onder de laag vuil, tics en opportunisme Dustin Hoffman in zijn tweede (!) filmrol (na The Graduate, waarin hij nog zo’n keurige jongen speelde -Hoffman is nu het absolute tegenovergestelde.) Allereerst bedriegt Ratso de goedgelovige Buck, maar bij hun tweede ontmoeting is Buck zo gedesillusioneerd dat hij niet anders kan dan zijn zogenaamde hulp bij management te accepteren. Een gigolo heeft een goede manager nodig, iemand die de stad goed kent. Hij trekt bij hem in, in een gebouw dat zo aftands is dat het onmogelijk een set kan zijn, zoals veel in Midnight Cowboy op locatie is geschoten en er ook uit ziet als een werkelijke stad.

New York wordt vaak intiem in beeld gebracht; een stad die weliswaar zijn ruwe kantjes heeft, maar waar een vibrante, opwindende cultuur heerst, waar je vrienden altijd maar twee straten van je verwijderd zijn; denk aan de films van Woody Allen, Martin Scorsese en Spike Lee. Regisseur John Schlesinger (Marathon Man, The Day of the Locust) komt niet uit ‘the Big Apple’ en dat is te merken: de straten zijn druk, anoniem en mensen spreken je alleen aan als ze iets nodig hebben. Schlesinger, een gevestigde Britse regisseur met een zwak voor de antiheld, maakte met Midnight Cowboy zijn eerste Amerikaanse film en laat deze stad zien door het oog van een outsider: rauw en realistisch met rare, soms pijnlijke details die een New Yorker ontgaan zouden zijn. Het is dezelfde cultuurschok die je terugvindt in het aggresieve Robocop van Paul Verhoeven en het enigmatische It’s All About Love van Deens regisseur Thomas Vinterberg. De schok dat we Amerika alleen kennen uit films en dat deze wereld er wel op lijkt, maar dat er iets heel verontrustends onder deze indrukwekkende oppervlakte ligt.



Hoe pijnlijk het verhaal ook wordt, nooit krijg je het idee dat je naar een vervelende film zit te kijken. Sterker nog: de inventieve montage van Schlesinger -van rare flashbacks, delirische feestjes tot plotse jumpcuts- maakt van de film een speeltuin van mogelijkheden. Naarmate Buck en Ratso dieper in de problemen komen, wordt hun vriendschap dieper; een onwaarschijnlijke, bijna homo-erotische vriendschap, maar nooit ongeloofwaardig. Dit komt mede door de acteurs, al maakt de film af en toe rare uitstapjes en blijft de toon afstandelijk -meteen ook het nadeel van de speelse losbandigheid van Schlesinger- Hoffman en Voight houden het verhaal over twee gelukszoekers torenhoog overeind, met een warme dosis humanisme. Langzaam maar zeker kom je erachter dat niet alleen buitenlanders moeite hebben met de vinden van ‘the American Dream’, maar dat ook Amerikanen, in eigen land, op zoek zijn naar een ander Amerika. Telkens op zoek naar een blanco vel waar ze hun droom op kunnen projecteren. En dat deze ‘Dream’ binnen een paar dagen in ‘the American Nightmare’ kan veranderen.

1 opmerking:

Anoniem zei

http://www.youtube.com/watch?v=4m3Moov-cDE&feature=related

geluid is 'n beetje butt, maar wel duidelijke mening. :)

-bis morgen.