26 mrt. 2009

El Topo (Alejandro Jodorowsky, 1970)

1968, het film festival in Aculpolco, Mexico. Een rel breekt uit, en niet zo’n beetje ook: de vermeende aanstichter, regisseur Alejandro Jodorowsky moet de zaal uit worden gesmokkeld en vindt een limousine, een ‘getaway vehicle’. Zijn eerste speelfilm, Fando y Lis, een surrealistisch relaas over de liefde tussen een jongen en een kreupel meisje heeft iets heftigs ontketend bij de nietsvermoedende bezoekers. Als ze hem herkennen in de limousine, regent het stenen: de woedende kijkers bekogelen dit zelfverkozen wonderkind, deze excentrieke kunstenaar, deze rebelse, anarchistische verteller. Of zoals Wikipedia het opsomt: Alejandro Jodorowsky is een Chileense amateur-wetenschapper in comparative religion, toneelschrijver, regisseur, producent, componist, acteur, mimespeler, stripboekschrijver, tarot lezer, historicus en psychotherapeut. Jodorowsky is duidelijk een man die nooit stil zit. Maar dit werkt zeker niet altijd in zijn voordeel: zijn tweede film, El Topo werd een plek op Cannes ontnomen door de Mexicaanse overheid en is pas sinds 2007 weer in circulatie. Zijn uitzinnige visie op Dune, een boek van Frank Herbert, werd nooit gerealiseerd maar had wel een bepalende invloed op het ontwerp van zowel Star Wars als Alien -zonder dat hij daar ooit de credits voor heeft gekregen. Sinds begin jaren ’90 probeert de regisseur een vervolg op El Topo -officieel zou dat zijn zesde film moeten worden, maar in zijn lezing is dat nummer vier want 2 van zijn films heeft hij ‘verstoten’- van de grond te krijgen, maar het geld ontbreekt. Met hulp van David Lynch is er wel een nieuwe gangsterfilm in productie, King Shot. Over het algemeen schijnt de tachtigjarige ‘homo psychedelica’ vooral lezingen te geven over zijn kleine, maar intense oeuvre.




Daar is hij dan ook de uitgelezen persoon voor, want niemand begrijpt de films van Jodorowsky beter dan Jodorowsky. Al valt zelfs daar aan te twijfelen. Zijn oeuvre kenmerkt zich door een megalomane, bijna bijbelse intentie; een orgiastisch spel met symboliek en mythe. El Topo (de Mol) is daarin de boodschapper, de eerste film waarin dit zich openbaart. Onderverdeelt in in vier hoofdstukken -Genesis, Prophets, Psalms en Apocalypse- vertelt Jodorowsky over El Topo (gespeeld door Jodorowsky zelf). Deze stille, in het zwart geklede cowboy reist met zijn zevenjarige, naakte zoon door het stoffige Mexicaanse landschap. “Je bent zeven jaar, je bent nu een man. Begraaf je eerste speelgoed en de foto van je moeder,” draagt hij hem op. Als ze niet lang daarna een uitgemoord dorp binnenrijden -waar je letterlijk tot je knieën in een poel van bloed kan staan- wordt de toon ongenadig harder: de enige overlevende wil alleen nog maar vermoord worden en het jongentje krijgt het revolver van pappa in zijn handjes gedrukt. De terreur wordt veroorzaakt door echte schurken; maniakale, gewetensloze ‘bandidos’, maar El Topo (en zn.) kan ze allemaal baas. So far, so western. Het felgekleurd rood in deze scènes zijn als verfklodders die een schilder in dit verstofte genre heeft laten vallen. Bij de confrontatie met ‘de Kolonel’ -de schurk onder de schurken- schiet het geweld zo ver, dat het macho op het debiele af is: alsof het hoge testosterongehalte in combinatie met megalomanie een psychose heeft veroorzaakt. “Wie ben jij om mij te veroordelen?” vraagt de onteerde Kolonel hem. -“Ik ben God.”

De Kolonel laat een vrouw achter en ondanks zijn aanvankelijke weigering en dankzij haar aandringen neemt El Topo haar toch mee. Hij laat daarmee zijn zoon achter bij de plaatselijke Franciscanen. Er is geen plek voor hem op zijn paard. “Vernietig me, wees van niemand afhankelijk!,” schreeuwt hij zijn zoon na als hij met de vrouw de noorderzon tegemoet rijdt. Als ze in een eindeloze woestijn terechtkomen en de vrouw hem opdraagt ‘de vier meesters’ te verslaan, is het duidelijk dat conventionele logica flink tekort gaat komen bij het verteren van de rest van deze allegorie. De vrouw, Mara (Mara Lorenzio), is er zo op gespitst dat El Topo de beste wordt, dat ze hem aanzet tot vals spelen, al is het duidelijk dat dit hem eigenlijk te ver gaat. Zodra hij de eerste meester vermoord, met ongevraagde hulp van Mara, verschijnt er nog een vrouw; een soort vrouwelijke El Topo. -Bent u er nog?- Zij vergezelt hen bij de queeste alle meesters te verslaan. Deze confrontaties met de meesters staan bol van de symboliek, sterker nog: ze puilen uit. Het is als een rauwe verfilming van een pak tarotkaarten besprenkeld met een vleugje Christendom en een flinke scheut Oosterse filosofie. Brandende tapijten gemaakt van dode konijnen, vrouwen met mannenstemmen en elk van de meesters heeft een les die een parabel zou kunnen zijn. Het is een beetje vergelijkbaar met de raarste films van Nicolas Roeg, maar dan gefilterd en versterkt door het Mexicaanse temperament.




Uiteindelijk gaat Jodorowsky nog veel verder en keert El Topo terug naar de bewoonde wereld, vanuit een grot. Maar dat valt moeilijk uit te leggen; uitleg zou de film ook af doen als een verhaal, iets wat na te vertellen is. Lastig. Het is in het laatste gedeelte van de film dat El Topo een soort martelaarschap op zich neemt en ook waar de film een hart krijgt, rust neemt. Waar je het idee krijgt dat Jodorowsky duidelijk iets te melden heeft; misschien wel een hele persoonlijke visie op het mannelijk ego, of een esoterische mythologie over het ‘man-worden’. Je kan er geen conclusies aan verbinden, daarvoor is deze film net iets te hermetisch, deze karrenvracht van psychedelische symboliek. Je zou er een studie aan kunnen wijden, maar die taak is al toevertrouwd aan de maker. Als een gestructureerde LSD-trip trekt El Topo aan je voorbij. En zo moet je hem ook maar ondergaan: als een ervaring die onuitwisbare beelden achterlaat, want dat kan je wel aan deze film-magiër toevertrouwen. En aan het einde kan je alleen maar denken aan de overwinning van Jodorowsky. Alejandro keek en hij zag dat het goed was.

Geen opmerkingen: