3 jun. 2008

American Graffiti (George Lucas, 1973)

Er was eens een tijd waarin alles wat uit Amerika kwam, cool was. Amerika was cool. Natuurlijk zijn er nog steeds mensen die er zo over denken, maar het is veilig te zeggen dat die relatie flink bekoeld is, zo sterk zelfs dat Amerika vaak 'uncool' is. Tegelijkertijd met hun tanende politieke positie is hun voornaamste exportproduct, cinema, ook niet meer datgene waar iedereen warm voor loopt. De nieuwe Star Wars 'prequels' (binnenkort ook computer geanimeerde 'in-between-quels'); een nieuwe Indiana Jones; we gaan er wel heen, maar meer uit een cynische interesse dan met het kinderlijke enthousiasme als, zeg, twee decennia geleden. En dat is niet alleen omdat we ouder zijn geworden. Want er waren ooit films die je niet alleen het gevoel gaven dat de beste dingen uit Amerika kwamen, je had zelfs het gevoel dat je zélf anderhalf uur een Amerikaanse tiener was. Een soort nostalgisch gevoel over een plek waar je nooit bent geweest, maar had willen zijn; een stuk land dat je eigenlijk alleen maar kent uit die gedroomde wereld op het witte doek. Vooral de 'onschuldige' jaren vijftig, net voor Vietnam, Nixon en de moord op Kennedy, is een periode waar het woord 'Americana' nog een warme betekenis had. Stephen King-verfilming Stand By Me is een prachtig voorbeeld, Grease heeft zijn fans, maar American Graffiti is de grondlegger; de oervader als het ware.




Over oervaders gesproken: de man die nu vergruisd wordt omdat hij bezweken is voor het lucratieve idee zijn Star Wars sage voort te zetten (voor zo lang hij leeft, lijkt het wel), is niet alleen de bedenker en producent van Indiana Jones, maar ook de regisseur van American Graffiti. George Lucas' tweede film kwam als een verrassing. Niet alleen voor hemzelf, maar ook voor het publiek. Lucas kwam van de filmacademie als een experimenteel filmmaker, met een voorliefde voor machines, abstracte montage en geluid. Zijn eerste film, THX 1138, was een zware, maar poëtische oefening in distopische science fiction. Vriend en filmmaker Francis Ford Copolla daagde hem uit iets lichts en commercieels te maken, want dat sci-fi-script over Luke Starkiller had toch weinig kans, gezien het belabberde succes van THX. Lucas nam de uitdaging aan en verwerkte zijn jeugdherinneringen tot een vrij simpel script. Vier vrienden die op de laatste vrije zomeravond door hun stadje 'cruisen' met hun auto's, met als setting de vroege jaren zestig, Californië. High school is voorgoed afgelopen en ze proberen de avond nog met zijn allen te spenderen voor ieder zijn eigen weg gaat.

De lijst met acteurs klinkt nu bekend, maar bijna iedereen maakte zijn debuut. Richard Dreyfuss speelt Curt, de slimste van het stel. Curt heeft een beurs voor een universiteit ver weg, maar twijfelt nog of hij wel weg moet gaan. Ron Howard (de regisseur, maar ook Richie Cunningham uit Happy Days) is Steve, die ook moeite heeft met weggaan en vooral met de gevolgen daarvan op zijn relatie. Paul Le Mat (niet zo bekend) is John: de stoere 'James Dean', die nog lang niet volwassen is en vooral van auto's en meisjes houdt. Charles Martin Smith is Terry 'the Toad', een jongen die zijn uiterlijk niet mee heeft, volgzaam is en hard op zoek naar een vriendin. Bijrollen zijn voor Harrison Ford en Candy Clark. Via korte, schetsmatige scènes (wat de Amerikanen zo mooi 'vignettes' noemen) volgen we de vrienden op pad door hun stadje. Het enige wat het verhaal bindt is de muziek: iedereen lijkt naar hetzelfde radiostation te luisteren. D.J. Wolfman Jack praat de geniale playlist aan elkaar en de sfeervolle muziek gaat door, over en langs de hele film.




Er valt George Lucas veel te verwijten, maar American Graffiti blijft ondanks al zijn merchandising overeind. Zijn fascinatie voor auto's is evident; nog nooit hebben Amerikaanse auto's zo sierlijk en veelvuldig gefigureerd in een film. Maar dit is niet gratuit en heeft wel degelijk een functie: in die tijd waren deze machines een immens onderdeel van de jeugd-cultuur. Lucas deed daarnaast een paar dingen die tot dan nog niet gedaan werden: het aparte gebruik van muziek en de losse manier van parallelle scènes snijden. Als een documentaire-maker filmt hij zijn karakters en net als je denkt dat het slechts een verzameling scènes is, kom je erachter dat er wel degelijk een melancholisch en uitgedacht einde en idee aan de film zit. American Graffiti is humaan, grappig en werkelijk. Volwassener dan Happy Days, poëtischer dan Grease. Het is een ode aan een tijdperk waar alles nog een naïeve ondertoon had, waar Amerika zich nog geen slechte stiefvader voelde, maar een vriendelijke oom, druk bezig met het opzetten van zijn eigen zaak. Ik vraag me af of George Lucas nooit zelf eens moet huilen als hij zijn nostalgische meesterwerkje kijkt, na een lange dag vergaderen over de zoveelste Star Wars franchise-mogelijkheid, zich realiserend dat het allemaal voorbij is.

Geen opmerkingen: