16 apr. 2008

Walkabout (Nicolas Roeg, 1971)

Regisseur Kevin Smith, die inmiddels meer bewonderaars van zijn 'stand-up shows' heeft dan van zijn films, vertelt daarin zijn hilarische interpretatie van de Lord of the Rings-trilogie: "Fucking movies about people fucking walking... even the fucking trees walk". In Walkabout wordt ook veel gelopen, zoals de titel al aangeeft, maar de natuur in deze film leeft op een ongrijpbare manier. Een platte samenvatting van de film is moeilijk en doet oneindig meer onrecht aan deze film dan aan de voorgenoemde trilogie. Het simplistische plot van Walkabout gaat als volgt: broer (Luc Roeg, zoon van Nicolas) en zus (Jenny Agutter) worden op bizarre wijze achtergelaten in de woestenij van Australië, als hun vader ze mee neemt om daar te picknicken en vervolgens zelfmoord pleegt. Zomaar. Aan hun lot overgelaten dwalen ze door de barre natuur, zonder idee hoe te overleven, tot ze een aboriginal (David Gulpilil) tegenkomen die dit wel weet. De zelfmoord van de vader is behalve bruut ook meteen een indicatie, een soort handleiding hoe je de film moet bekijken; er is geen oorzaak of motivatie die je helpt te verklaren waarom de man het doet, het lijkt 'gewoon' te gebeuren. Aan de andere kant impliceert het wel heel veel. Het is geen subtiele implicatie, maar dat is het bijna nooit bij regisseur Nicolas Roeg.




Roeg is al lang niet meer zo'n imposant figuur in de cinema van vandaag, als hij ooit was. Begonnen in 1960 als cinematograaf bij films als Lawrence of Arabia, Casino Royale en Fahrenheit 451, werkte hij zich omhoog tot hij in 1970, bij Performance de regie deelde met Donald Cammel. In de jaren zeventig was deze Brit één van de meest interessante filmmakers aan deze kant van de oceaan. In de jaren tachtig doofde de esoterische vlam van Roeg langzaam, maar zeker niet onverdienstelijk (zie: Eureka en Bad Timing) uit. In 1990 maakte hij nog de Roald Dahl-verfilming The Witches, een rare en wonderwel gelukte bewerking, maar de kans is groot dat je hem kent van de films die hij van 1970 tot 1976 maakte. Performance is de meest verrassende en psychotische; Walkabout is de meest poëtische en volgens velen zijn meesterwerk; Don't Look Now (één van mijn lievelingsfilms) is de meest toegankelijke en The Man Who Fell To Earth een cryptisch en ambitieus Sci-Fi opus. Vorig jaar kwam, na jaren van soft-erotische middelmatigheid, een nieuwe film: Puffball. Afgaande op de trailer, lijkt het dat Roeg weer teruggrijpt op oude successen: psychologische en donkere werelden, waar de kijker in verdwaalt, met als enige houvast de prachtige beelden en intense sfeer.

Roeg dankt zijn faam en erkenning aan twee, niet onbelangrijke, kwaliteiten: zijn gevoel voor beeld en montage. Vaak stond hij zelf achter de camera, met als resultaat geconcentreerde en intuïtieve composities. Maar het is de non-lineaire manier van monteren die Roeg zijn plek in de geschiedenis bezorgde; zijn films behandelen tijd als iets kneedbaars, iets wat niet vast staat, scènes maken sprongen van jaren, dagen en minuten naar voren en naar achteren. Het geeft de films een ongrijpbaar, maar nadrukkelijk psychologisch karakter. Samen met zijn voorliefde voor erotische, esoterische en zelfs occulte motieven maakt het zijn werk, net als David Bowie in The Man Who Fell to Earth, bijna buitenaards. Roeg werkt met zoveel artistieke vrijheid, dat het soms ook te persoonlijk aanvoelt en onbegrijpelijk wordt. Maar als het wel werkt, zoals in Walkabout, werkt het op bijna sublieme manier.



Walkabout ontleent zijn titel niet aan rondlopen, maar aan een oud aboriginal-ritueel, waarbij een jongen op zestienjarige leeftijd zes maanden door de wildernis van Australië moet zwerven, wordt verbannen, om in de sporen van zijn voorvaders te treden en volwassen te worden. Dit vormt het schrijnende en interessante uitgangspunt van de film: alhoewel het lijkt alsof de twee kinderen verdwalen, is het de aboriginal die van het pad van zijn rite dwaalt om ze te helpen. Hij is hulpeloos als het aankomt op communicatie; alhoewel het jonge broertje met handen en voeten met hem kan praten, weet de 'geciviliseerde' jonge vrouw niet wat ze met hem aan moet. Dagen, misschien wel maanden gaan voorbij, waarin de erotische lading van het impliciete spel tussen haar en hem lijkt op te lopen. Ondertussen toont Roeg de natuur om hun heen. Het lijkt alsof deze natuur meer leven en kracht bezit dan de schijnbaar willekeurige beelden van de steden en mensen die hij hier doorheen snijdt.

Van een afstand lijkt het alsof de film gaat over de eeuwenoude discussie over natuur versus civilisatie, maar van dichtbij is Walkabout veel rijker en intrigerender dan een romantisch pleidooi. Nergens wordt de film een statement. Net zoals in Koyaanisqatsi verleiden de beelden en de structuur je mee te gaan en te observeren. Het is een cynische, dromerige en onderbewuste observatie, één die je misschien liever niet wil maken, maar zo hypnotisch, dat je niet anders kan dan meegezogen worden. De aboriginal laat zich ook meeslepen, maar kan deze verleiding -in de vorm van de lonkende en sensuele Jenny Agutter- niet aan. Hij ontvlucht de hardheid van het 'geciviliseerde' spel. Het is alsof Roeg impliceert dat de mens nog veel harder is dan de natuur. Maar wat je interpretatie van deze visionaire en elliptische trip ook mag zijn, het is niet de conclusie die je onthoudt, maar de droom zelf. Hij zal je als een prachtige, poëtische nachtmerrie achtervolgen.

2 opmerkingen:

Snebbert zei

Ik ben benieuwd, net de eerste 15 minuten gezien en dat was al veelbelovend. Leuk geschreven artikel.

Jasper de Bruin zei

Dankjewel, ben benieuwd wat je er 100 minuten later vond, Snebbert.